Militaire historie van joods Israël tot en met 1949

Door: Gabriel Peralta - Laatst aangepast op: 4 juli 2016

Ben-Goerion en officieren tijdens de oorlog van 1948 (Wikipedia)

Inleiding

 De vorming van het zionistische gedachtegoed door Theodor Herzl rond 1880 was de voornaamste drijfveer van met name ultra-orthodoxe joden om te vertrekken naar Palestina. Rond 1904, na de dood van Herzl, werd de focus op vestiging in Palestina van joden een algemeen geaccepteerd idee. De eerste groepen Joden vestigden zich rond 1885 in Palestina. Aanleiding was de anti-joodse politiek onder de laatste tsaren (de meerderheid van de Russische joden vertrok naar de Verenigde Staten). Meer Joden zouden zich vestigen in Palestina in de aankomende jaren. Het militaire mandaat van Groot-Brittannië (sinds 1920) was de eerste opening naar een joodse (Israëlische) staat. Groot-Brittannië had ingestemd met de oprichting van een (met militaire karakteristieken) zionistische enclave in Palestina. Maar welke militaire ontwikkelingen hadden ertoe geleid dat de staat Israël als zodanig in 1948 gevestigd en bevestigd werd? Welke rol speelden kleinere (para)militaire groepen in de vorming van Israël? Dit en meer vragen komen aan de orde in dit stuk. De chronologie begint bij de tweede immigratiegolf omdat er pas vanaf dat moment sprake is van een georganiseerde militaire aanwezigheid binnen de Joodse gemeenschappen. In dit overzicht maken we een analyse van de militaire historie van Israël tot en met de formele vorming van de staat in 1948-’49.

De tweede en derde immigratiegolf (1904-1919)

De basis voor militaire uitbreidingen werd gelegd tijdens de tweede immigratiegolf naar Palestina. De groepen die naar Palestina trokken waren over het algemeen Russische Joden die sterk gepolitiseerd waren. Hoewel het idee van een Joodse staat niet meteen aansloeg bij de Oost-Europese Joden, werd dit idee wel steeds populairder. Met name het zionistische gedachtegoed, tot uiting komend in politiek-religieuze zaken als ‘zuiver joods arbeid’ en de strategie van de exclusiviteit van Joden als gemeenschap, leidden ertoe dat militaire voorbereidingen getroffen werden om Joodse gemeenschappen te beschermen tegen de omgeving (de niet-joodse omgeving) van de laatstgenoemde. Deze voorbereidingen nam zijn vorm aan in quasimilitaire organisaties zoals de Hashomer (The Guard).

Met name deze groep wordt beschouwd als fundament van de ontwikkeling van militaire ontwikkelingen in de Joodse gemeenschappen in Palestina (in Hebreeuws: Yishuv). Op meerdere plekken in de Joodse gemeenschappen in Palestina werden militaire groepen opgericht of werden vormen van militaire organisaties gestart. Men moet in dit proces niet vergeten dat de vorming van deze militaire groepen en met name de mogelijkheden om te groeien als Joodse gemeenschap kwamen vanuit Britse kringen. Dat zien we bijvoorbeeld bij Lloyd George, de eerste minister van Groot-Brittannië tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij gaf duidelijk aan sterk toegewijd te zijn aan het zionistische project om in Palestina een Joodse staat op te richten[1]. De uitkomst van dit sentiment mondde uit in de Balfour verklaring van 1917, waarin nadrukkelijk werd gesteld dat er een Joods (nationaal) tehuis mocht komen in Palestina.

De nadruk om militaire groei te stimuleren nam toe met de derde immigratiegolf (1919-1923). Dit proces, wat zich vanaf 1904 kon ontwikkelen, kreeg steeds meer voet aan de grond onder zowel Joodse als staten(zie Engeland). De ontwikkeling van quasimilitaire groeperingen komt tot een hoogtepunt bij de vorming van de Hagana en de Histadroet in 1920.

De vorming en integratie van militaire groepen (1920-1939)

Aan het begin van de periode 1920-1940 domineerden vooral kleinere militaire groepen het strijdtoneel in Palestina. Groepen als de Irgun, die er een terroristische manier van grond veroveren op nahielden, voerden nog niet de boventoon. Met name groepen die zich definieerden als ‘verdedigers’ (met name tactieken die omringende Palestijnse groepen terugdrongen en uit de Joodse gebieden hielden). Maar de grootste en meest invloedrijke militaire groep was de Hagana.

De Hagana was de eerste vorm van grotere militaire organisatie van militaire groepen in de Joodse gemeenschappen. De Hagana werd gevormd uit de Jewish Legion en Jewish Mule Corps, vaak orthodoxe zionistische groepen die hun oorsprong vonden in de al bestaande Joodse gemeenschappen. De Hagana zelf ontwikkelde zich eerder als seculiere groep in de jaren daarna. Het feit dat de Hagana zo sterk militaristisch werd kwam mede door de hervorming van de Britse officier Wingate. Hij verschafte de strijdgroepen met oorlogstactieken en vergeldingsmethoden tegen de plaatselijke Palestijnse bevolking.

De oprichting van de Hagana in 1920 was een direct gevolg van de toenemende spanning tussen Joden en niet-Joden in Palestina. Met name de ideologische grondslagen van de Joodse immigranten botste hevig met de al aanwezige Arabische Palestijnen die het gevoel kregen verdreven te worden. Er werden steeds vaker exclusief Joodse plekken gesticht die ertoe leidden dat Palestijnen er niet meer mochten komen. De spanningen die hierdoor ontstonden vonden hun uiting in conflicten met vaak dodelijke gevolgen.

Desalniettemin stond Palestina onder formeel gezag van de Britse overheid. Het werd geregeerd als een kolonie. Omdat de Britten het toestonden dat er in de sociale structuur in Palestina met de komst van Joodse gemeenschappen en militaire groepen zoals de Hagana enorme scheuren tussen de nieuwe joodse en de al aanwezige gemeenschappen ontstonden werd de situatie steeds minder houdbaar. Optredens van de Britse politie zorgden ervoor dat beide groepen nog verder van elkaar kwamen te staan. Het verzaken van simpele politionele taken en het slecht in balans houden van de twee groepen leidden ertoe dat de Britse militairen rond 1922 deze taken overnamen. Geweldsuitbarstingen tussen Joden en Arabieren deden zich al voor rond 1920-21.

Ondanks dat de Hagana als paramilitaire groep volgens internationaal recht illegaal was, werden ze toegestaan door de Britten en later zelfs bewapend in ruil voor militaire hulp tijdens het neerslaan van Palestijnse oproeren in 1929 en de Palestijns-Arabische opstand van 1936-1939. Deze waren een direct gevolg van de onderdrukking van de Palestijnen door de Engelse bezetter en de steeds groter groeiende Joodse gemeenschappen. De leden van de Hagana begonnen een sterkere en stevigere basis te leggen voor grotere militaire acties.

Deze versterkte positie werd gekenmerkt door een expeditie die in 1938 tijdens de Palestijns-Arabische opstand werd ondernomen[2] waarin een eenheid van de Hagana samen met de Britten een Palestijns dorp bezet hadden voor enkele uren. Dit om een zogenaamde ‘strafexpeditie’ te ondernemen tegen opstandige Palestijnen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog (tussen 1939-1945) deden leden van de Hagana extra vaardigheden op door zich aan te sluiten bij het Britse leger. Andere leden van de groep bleven in Palestina om dossiers op te stellen over Palestijnse dorpen om deze uiteindelijk te infiltreren en de inwoners te verdrijven.

Tegenover de Britten (1939-1947)

Ondanks dat de Britten de groei van de Joodse gemeenschappen in Palestina hadden toegestaan en beschermd (over het algemeen ten koste van de Palestijnse gemeenschappen) en samengewerkt hadden met Joodse strijdgroepen, waren ze nog niet van plan om een nieuwe Joodse staat toe te staan (dit werd pas met de Macdonald White Paper in 1939 een optie). De Palestijns-Arabische opstand van 1936-1939 had het volledige potentieel van de Palestijnen om terug te vechten lam gelegd. Aan het eind van de opstand in 1939 waren al ruim 5000 Palestijnen gedood en tienduizenden verdreven of gevlucht van hun land.

Het in kaart brengen van Palestijnse dorpen en het systematisch infiltreren begon zijn vruchten af te werpen. Informanten waren in veel dorpen en steden aanwezig. Tussen 1939 en 1942 werd het met name voor de zionistische leiders (die nu een politie- en militaire macht tot hun beschikking hadden met een lamgeslagen Palestina) duidelijk dat alles wat nu nog in de weg stond om een Joodse staat te stichten de Britten waren. De militair-logistieke zaken waren inmiddels op orde, echter had de zionistische leiding nog steeds te maken met een bevolking van 75% Arabieren. Ben-Gurion, de architect van de overname van Palestina schreef in 1937 in een brief aan zijn zoon al ‘De Arabieren zullen weg moeten’. ‘Er is een geschikt moment nodig om het te laten gebeuren, zoals een oorlog’[3].

Ondanks dat Groot-Brittannië al voorstellen had gedaan in 1937 en 1938 om Palestina te verdelen in een Joods en Arabisch gedeelte, was de zionistische top nog niet tevreden. Met name Ben-Gurion, de invloedrijke en bekende latere eerste minister van Israël, zag het als een goed begin. Ben-Gurion was zich goed bewust van de rol die buitenlandse investeringen konden spelen en pleitte voor een meer gematigde politiek totdat Engeland na 1945 actief joden begon tegen te houden om de spanningen met de nog steeds overwegend Arabische bevolking te drukken. Ben-Gurion en anderen pakten de kans aan om met name jonge Joden te mobiliseren tegen de Britten. In diverse aanvallen en aanslagen (bijv. moord op graaf Bernadotte door de Stern gang en eerder de aanslag op de SS Patria) werd de druk enorm opgevoerd.

De oorlog die Ben-Gurion bedoelde zou er ook komen. Toen in 1945 de oorlog in Europa ten einde liep, was Groot-Brittannië vooral materieel en financieel ernstig verzwakt. Samen met het feit dat de Engelsen in Palestina geterroriseerd werden door Joodse strijdgroepen werd in 1947 besloten door de Engelse regering om Palestina over te dragen aan de Verenigde Naties(VN).

Daar, in de VN, werd in 1947 besloten Palestina op te delen in een Arabische staat, een Joodse staat en een exclusieve status voor (groot) Jeruzalem. De houding van zowel de VN als de Britten voor hun, zou een destructief gevolg met zich meebrengen voor de Palestijns-Arabische bevolking.

Resultaat en uitkomst

Zoals we hebben kunnen zien zijn er in Palestina (later Israël) een aantal cruciale ontwikkelingen geweest in de periode 1900-1948. Door de structurele militaire organisatieopbouw van bijvoorbeeld de Hagana en de steun die zij ontvingen van internationale Zionistische groepen en de Engelse regering konden joodse strijdgroepen uitgroeien tot sterke, effectieve organisaties. Daarnaast heeft het effect van de zionistische ideologie waarin militarisme (zie zionistisch revisionisme; zie ideeëngeschiedenis) en exclusiviteit van de Joodse etniciteit centraal stonden geleid tot een sterk moraal bij Joodse strijdgroepen en militairen. De militaire basis die gelegd werd in deze jaren heeft onbetwist bijgedragen aan het succes van de strijd tegen de Arabieren in Palestina. De systematische verdrijving van de Palestijnen zou zonder deze nieuw ontstane militaire structuur niet mogelijk geweest zijn.

Verzet onder de Palestijnen was, en zeker op militair niveau, niet mogelijk gebleken door de houding van Groot-Brittannië die er voor gezorgd had dat de volledige militaire capaciteit van de Palestijnen (leiderschap, militaire middelen, strijdkrachten etc.) lamgelegd was. De nadruk van de zionistische leiding op militarisme en de onvermijdelijke militaire groei in het verlengde daarvan zorgden voor een sterke militaire staat.

 


[1] Pappe, I. De etnische zuivering van Palestina (2009) pag. 32

[2] Hagana archieven, dossier 0014, 19 juni 1938

[3] Ben Gurions diary, 12 juli 1937